Stilte, een heerlijk woord, veel verlangd, maar vaak verstoord.

dinsdag 28 december 2010

Vandaag kwam de mededeling dat Marianne Timmer stopt met schaatsen.
In 2006, na het veroveren van de gouden plak op de 1000 m. tijdens de OS te Turijn,
zag onderstaand gedicht het licht:



TIMMER

Getergd als ze was,
op de 500 nog een diskwalificatie
voor de ogen van heel de natie.
Maar op de 1000 kwam ze pas
echt in de Oval Lingotto.
Daar werd 1.16.05 haar motto.
Strelend vloog ze over de ijsvloer
Harde klappen uit al haar ledematen

Ah, mon amour!
Ik kreeg in de gaten,
dat bij het ingaan van de laatste bocht,
lichte schittering van goud vermocht.
Na duizend maal een meter
wist heel de natie vanuit Turijn
weer wie de echte Timmer zou zijn,
de snelste kilometervreter.

DAMESDAG 

Er bestaat een Dierendag, Moederdag, Vaderdag enzovoort, maar nu schijnt er ook ergens in de wereld een Damesdag te zijn. Het kan ook zo wezen dat een aantal dames gaan discussiëren over de zin of onzin om zo’n internationale damesdag in het leven te roepen. Ik ben summier geïnformeerd. Geeft ook niet. Het recht om iets te zeggen over internationale damesdag is n.l. voorbehouden aan de dames zelf. Ik zou het niet in mijn hoofd halen om iets over internationale damesdag te zeggen. Over gevoelige onderwerpen is het beter om de doelgroep zelf aan het woord te laten. Moppen over Duitsers, joden, negers en homos laat ik ook liever aan de ervaringsdeskundigen over. In het openbaar althans. Dat is wel zo veilig.

Moederdag, dat weet ik en vaderdag ook maar damesdag, nou nee. Nou zegt dat niet zoveel, ik weet ook pas sinds kort dat er zoiets bestaat als een secretaressedag en ook van Wereld Aidsdag ben ik sinds een paar jaar op de hoogte. Maar goed, dat kan ook komen omdat ik geen secretaresse of Aids heb, dan hoef ik dat ook niet te weten.

Met dames ligt dat anders, ik verkeer een groot deel van mijn leven tussen dames, maar ik heb niet het idee dat het erg leeft onder deze doelgroep. Ik heb er nooit iets over gehoord althans, laat staan dat er een verhoogde opwinding te bespeuren valt, wanneer damesdag zich weer aandient.
Het verschil met Valentijnsdag is opvallend. Sommigen zijn de week voorafgaand aan de 14e februari nauwelijks aanspreekbaar, en als er op die dag een anonieme kaart met een geheimzinnige mededeling arriveert, gaat men dagenlang speculeren over de afzender. Maar als je tegen diezelfde mensen zegt: ‘morgen is het weer zover hè, internationale damesdag!’, dan is slechts een meewarige en onbegrijpende blik mijn deel.

Volgens mij weet 90% van de doelgroep niet waar het over gaat. Maar dat geldt ook voor dierendag. Als ik op 4 oktober met een schoteltje paté, voorzien van een toefje peterselie, mijn hond probeer te verrassen, kijkt die me ook aan of ik achterlijk ben geworden. Dat is het natuurlijk! Internationale damesdag is een soort dierendag voor dames! Dat lost ook het probleem op: wat doe je met damesdag? Gewoon een beetje extra aardig zijn: bloemetje, ontbijt op bed, een beetje vertroetelen, ook dames kunnen af en toe best eens wat extra aandacht gebruiken.

zondag 26 december 2010


KRANTENJONGEN

Aan het einde van het jaar gaan de krantenbezorgers weer op pad om bij de lezers, namens het bedrijf, een kaartje met de beste wensen voor het nieuwe jaar af te geven. De bedoeling is dan, dat in ruil voor het kaartje de lezer er een willekeurig bedragje voor teruggeeft.
Bij ons loopt een Marokkaanse jongen die ’s ochtends met de Volkskrant aan de deur komt en die ik ’s middags met de NRC door de buurt zie fietsen, muts op, zonnebril op, walkman op.
Een paar dagen voor oud en nieuw belt hij aan om een gelukkig nieuwjaar te wensen – een mooie traditie in het krantenvak.
Ik gaf hem vorig jaar bij die gelegenheid tien euro; meer had ik niet in mijn zak zitten, minder trouwens ook niet. En het leek me nog een passend bedrag ook. 2010 nietwaar.
“Zoveel?” stamelde hij. Met enige huiver nam hij het biljet aan.
Ik knikte, maar ik schaamde me ook, gek genoeg. Geef je zo’n jongen te weinig, dan kun je de deur tevreden dicht doen, daar ben je lekker goedkoop vanaf, geef je hem daarentegen te veel, dan heb je je misschien patserig gedragen, sterker nog: misschien heb je de jongen wel op zijn ziel getrapt door hem als een arme sloeber te behandelen.
Ik begon hem dus omstandig uit te leggen hoe bijzonder het eigenlijk wel niet is dat de krant iedere ochtend op de mat valt, voor dag en dauw, ook dat nog, en dat ik zelf in mijn eigen jongensjaren ook door weer en wind ging met de krant, zij het met het toenmalige Het Vrije Volk, in die dagen de grootste krant van Nederland. En eens een krantenjongen, altijd een krantenjongen, besloot ik de uitleg rommelig, en vandaar de gulle gift.
“Nou bedankt dan,” zei de jongen, nog altijd een beetje beduusd, maar ook duidelijk van zins zijn weg te vervolgen, zijn ogen schichtten onrustig heen en weer.
“Jij ook gelukkig nieuwjaar,” zei ik, en toen belde hij aan bij de buren en kon ik de voordeur sluiten.
Sindsdien is er niets veranderd in mijn relatie met de krantenjongen. Ik was een beetje bezorgd dat dit wel zou gebeuren, maar alles is bij het oude gebleven. Hij groet me nog steeds niet als we elkaar tegenkomen, en hij scheldt nog altijd op de hond die onverminderd tegen hem blaft.
Als ik hem vraag of hij misschien een krantje over heeft, vraagt hij er nog steeds 2 euro voor – iets dat als ik gezonde handelsgeest zie.

zaterdag 18 december 2010


SNEEUW

Gisteren sneeuwde het! Een depressie trok over het land met sneeuw die bleef liggen. Wel zeven centimeter. Mensen raakten er opgewonden van. Weeralarm en files.
Ik stond op het Stadhuisplein in Almere te wachten op de bus.

Geen bus.

Het duurde zeker twintig minuten totdat een man zijn hoofd uit het raam van een voorbijrijdend Connexxion busje stak en de mensen bij de halte mededeelde dat er geen bussen meer reden.
Daar sta je dan. En doelloos staan wachten op een bus die niet komt is tijdverspilling, dus besloot ik maar te lopen en zette mijn voetstappen in de maagdelijke sneeuw, van die krakende, verende, echte sneeuwpassen.
Uit de schoorstenen van de huizen, die ik tegenkwam, kringelde rook, zoals dat hoort op een besneeuwde dag. Ik begon al te denken aan de wereld in 'A Christmas Carol' van Charles Dickens.

Ik kwam aan bij de Hoge Vaart en liep verder over de busbaan. Er was nog niemand geweest hier. Ik zag geen voetstappen, en ook geen bandensporen.
Even diep adem halen.
Langs het water was een grootvader in een bruine houtje-touwtje-jas met zijn kleinkind en een slee er op uit en in een weiland stonden twee paarden te dampen. Zo ver het oog reikte, was alles wit.
Weer haalde ik diep adem. 

Wat ik nu aan lucht binnenkreeg, was van een dronken makende helderheid. Ach, hoe schitterend kraakte en knerpte de sneeuw onder mijn schoenen. Nog een stap, en nog mooier was het geluid, liefelijk, maar ook stoer. Een geluid uit duizenden. Ik liep en liep, haast duizelig van stom geluk.

maandag 13 december 2010


MILKSHAKE IN DE REGEN

Ik kijk uit het raam. De regen komt met bakken uit de zwarte hemel. Het is nog vroeg, zeven uur.
Even later loop ik buiten, samen met de hond.
Deze heeft er zichtbaar weinig zin in, blijft steeds staan, kijkt me met een droeve blik aan en houdt zijn staart protesterend tussen de poten.
Ik trek even voorzichtig aan de riem en krijg hem daarmee weer wat in beweging.
Om de hoek tref ik een mooie, middelbare vrouw aan. Zij draagt een flitsend geel regenjack, blauwe spijkerbroek in halfhoge donkerbruine laarzen gestopt en ze is in gezelschap van een witte hond. Het moet een Maltezer zijn.
“Goedemorgen,” zegt ze.
“Goedemorgen,” zeg ik terug.
Een moment van beschaving.
Onder een luifel komen we in gesprek.
Ze vertelt dat ze na het uitlaten van de hond naar fitness zal gaan.
Ik luister aandachtig.
Zo vertelt ze over de Milkshake.
De Milkshake?
Een dans voor gevorderden, die men regelmatig in de kantine van het fitnesscentrum kan bewonderen.
Ik zal proberen het u uit te leggen.
Een zeer mannelijke danser treedt binnen. Hij heeft de deur uit de hengsels gelicht, zodat de gezonde buitenlucht vrijelijk naar binnen stroomt.
Gelukkig maar, want de barkeeper is een roker.
De danser zet zich in gespannen toestand op een barkruk, want dat is zijn voordeligste toestand.
Nu komt de danseres in actie!
Met katachtige passen komt ze op hem af. Ze gaat naast hem zitten en biedt hem een milkshake aan.
Zo blijven ze uren naast elkaar zitten, terwijl hun blikken over elkanders lichaam dwalen.
Ze beschouwen elkaar in opperste concentratie.
Wanneer de kantine sluit is de dans afgelopen.
Tot zover de Milkshake.
Het is inmiddels tien minuten later en de jonge vrouw in het gele regenjack en ik nemen afscheid van elkaar, de honden hebben het al gedaan.
Ze slaat aan het einde van de straat de hoek om, en weg is ze, opgelost in haar eigen leven.
Een vaag gevoel dat het midden houdt tussen trots en melancholie neemt bezit van mij.
Gelukkig is er de regen, die ratelt op mijn paraplu. Je zou er bijna vrolijk van worden. In ieder geval nodigt het bij mij uit tot muzikaal denken en bedenk in hoeveel liedjes het wel niet regent. Teveel om op te noemen. Nou goed, een paar dan.

Walking in the rain.
Ritme van de regen.
Raining in my heart.
Crying in the rain.
Raindrops keep falling on my head.
It’s a rainy day.

Ik loop verder en neurie A hard rain’s gonna fall van Bob Dylan.

zaterdag 11 december 2010


FRIET VAN PIET

De cafetaria waar de vrouw zich ook deze middag weer heen sleept heet ‘Friet van Piet’. Eigenaar is Piet en Piet bakt al zijn leven lang patat. Dat zie je aan hem, zoals hij aan de vrouw ziet dat deze haar leven lang al in snackbars komt. Zij hoeft maar te knikken en hij gooit een schep aardappels in de hete olie. De elektronische thermometer van de frituur daalt even van 180 naar 170 graden, maar niet voor lang. De vrouw gooit een euro in de gokkast, maar gokken is niet meer hetzelfde zonder de gulden.
Zo lang als Piet al patat in de olie schuift, zo lang is zijn Maria er. Ze zit op de vensterbank en ze leest, wat nogal uitzonderlijk is in een snackbar. Ik zie er nooit iemand een boek lezen. Hooguit de leesportefeuille of De Telegraaf. Maar Maria leest boeken, ook vandaag weer. De vrouw laat de gokautomaat voor wat hij is en probeert te zien welk boek ze leest. ‘De Aanslag’ van Harry Mulisch. Maria kijkt op en de vrouw ziet haar donkerbruine ogen. Haast zwart zijn ze. Zij glimlacht.
Als Piet haar de patat brengt, komt er een kleine vrouw met een hoofddoek binnen. Onwillekeurig kijkt zij naar Maria’s boek. De vrouw heeft twee boodschappentassen bij zich en geeft zonder iets te zeggen een A4’tje met haar bestelling. Zelfs Piet, die al zijn leven lang patat bakt, slikt even. "Dat gaat wel even duren," zegt hij verontschuldigend. Ze knikt en gaat tegenover de eerste vrouw zitten. Ze haalt een boek uit haar boodschappentas. En geloof het of niet, het is hetzelfde boek van Harry Mulisch. De eerste vrouw kijkt om naar Piet of die het gezien heeft, maar Piet sleept dozen met diepvriespatat naar zijn frituur en mompelt in zichzelf. Maria leest en weet van niets.
De patat smaakt de vrouw niet meer, al weet ze niet waarom. Voor het eerst in jaren sluipt ze weg uit de snackbar zonder Piet te groeten. Net als zij uit de deur stapt, sluit Maria haar boek en verzucht ze: "Mooi."


woensdag 8 december 2010

JOHN LENNON

Vandaag, 8 december, is het 30 jaar geleden dat JOHN LENNON in New York rond 11 uur 's avonds werd vermoord. In Nederland was het inmiddels 9 december.

Het onderstaande schreef ik destijds in het condoleanceregister, dat getekend kon worden in het HILTON HOTEL te Amsterdam:

"THE SONG IS ENDED, BUT THE MELODY LINGERS ON"

donderdag 2 december 2010


VERHAAL VAN EEN JONGE CORNETIST

Mijn vader hield veel van jazz. Hij en ik waren grote vrienden en dus ging ik er op een gegeven ogenblik ook naar luisteren, want in trouwe vriendschap wil je dat alles een band schept, en doe je je best voor de ander.

De eerste jazz-plaat die ik kocht was in het begin jaren zeventig, ‘The rare Bix’ van Bix Beiderbecke samen met het orkest van Frankie Trumbauer, een plaat gestoken in een witte kartonnen hoes, een groen kader aan de bovenkant en daaronder een ietwat melancholiek portret van Bix. De vijftien titels van de opgenomen nummers stonden eveneens op de voorkant van de hoes vermeld.

Maar hoe klinkt de muziek van Bix Beiderbecke?

Bix klinkt zoals het koolzuur boven het glas danst als je cola net hebt ingeschonken.
Muziek van Bix is geen achtergrondmuziek. Je kunt het wel draaien en intussen iets anders doen, maar dan werkt het niet precies. Je moet er eigenlijk naar luisteren - er midden in gaan zitten. De muziek moet zich als het ware om je heen vouwen. Het zit vol prachtige nuances en het zit zo in elkaar, lijkt het wel, dat je er in mee wordt gezogen, de diepte in, en dan door de muziek zelf weer langzaam op kunt stijgen. Het vrolijkt je op. Het is muziek om een nieuwe dag met een glimlach tegemoet te treden, en zeker als de zon schijnt boven weilanden die timide glinsteren van de rijp. Het kan je ook uit de put tillen, het brengt je troost en verzoening. Bix geeft de burger moed om het maar eenvoudig te zeggen.

Maar wie was Bix Beiderbecke nu eigenlijk?

Bix Beiderbecke was een van de meest gewilde cornetisten in de jaren 1920, hoewel hij vooral beroemd werd vele jaren na zijn dood in 1931. Tegenwoordig wordt hij beschouwd als een van de eerste jazzmusici bekwaam genoeg om te worden vergeleken met de grote Louis Armstrong. Zijn leven was echter ook doorzeefd door zelf-destructief gedrag, gekenmerkt door fatale alcoholisme.

Opgegroeid in Davenport, Iowa in een comfortabele middenklasse gezin, ontwikkelde Beiderbecke vaardigheid op de piano op zeer vroege leeftijd. Hij begon cornet te spelen op 16, geïnspireerd door Nick LaRocca van de Original Dixieland Jass Band.

Zijn slechte cijfers op school waren het gevolg van een gebrek aan interesse in alles wat hem daar opgedrongen werd. Zijn ouders stuurden hem tenslotte naar Lake Forest Academy, een kostschool in Illinois.
Daar ging hij echter zijn studies negeren ten gunste van stiekem af te reizen naar Chicago om daar jazz in speakeasies te horen. Hij begon meer en meer naar Chicago uit te wijken, en toen hij in 1922 van de academie werd weggestuurd, besloot hij om een carrière in de muziek na te streven. Hij genoot van de vroege jazzklanken van Louis Armstrong, King Oliver en Freddie Keppard, evenals de muziek van Maurice Ravel en Claude Debussy.

Beiderbecke sloot zich in 1923 aan bij The Wolverine Orchestra
en maakte zijn eerste opnamen met hen in 1924.

Rond deze tijd begon zijn samenwerking met C-melody saxofonist Frankie Trumbauer. Beiderbecke en Trumbauer waren vergelijkbaar door hun virtuositeit in verfijnde en contrasterende klanken van de hot jazz. Hun spel zou hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van  de "cool" jazz, een stijl die populair werd gemaakt door Miles Davis en anderen in latere decennia.

Maar terwijl zijn verslaving bloeide, leed zijn carrière hier niet onder, want in 1927 zijn Bix en Trumbauer lid geworden van de Jean Goldkette Orchestra, en na enkele maanden van het Paul Whiteman Orchestra. Beiden waren hoog betaalde professionele ensembles met een grote populaire achterban.

Maar goed, om even terug te komen op het album ‘The rare Bix’, mijn eerste kennismaking met Bix Beiderbecke, blijft dit voor mij de prettigste periode, mede gezien door de zachtheid en de melodische verfijning van tonen en klanken.

Beiderbecke componeerde echter ook werken voor piano. Zijn solo "In a mist"  is een uitgebreid stuk, dat vroege jazz met elementen van het Franse impressionisme injecteert.

Het zware drinken kreeg echter een climax in 1929. Na een zenuwinzinking werd Bix gedwongen om verlof te nemen bij het Whiteman Orchestra om te recupereren. Hij bleef echter drinken en twee jaar later, op 6 augustus 1931, is hij op 28-jarige leeftijd bezweken aan zijn verslaving.

Hoewel niet volledig erkent tijdens zijn korte leven, is Beiderbecke's talent geprezen tot op de dag van vandaag. Zijn ingetogen en reflectieve stijl heeft model gestaan voor talloze volgelingen, zoals zijn versmelting van jazz en klassieke muziek invloeden.
Ook mijn vader is inmiddels gestorven, maar ik draai nog steeds de platen van Bix Beiderbecke en heb het uitgebouwd tot een epos dat mijn leven mee kan.


Klik voor meer info over Bix Beiderbecke naar mijn Early Jazz Site hier!


vrijdag 26 november 2010

GAATJE

Gaatje in de lucht
Floep, uit is het licht
Gaatje is dicht

zaterdag 20 november 2010

ZIN

Vraag je niet af of het leven zin heeft, dat heeft geen zin.

donderdag 18 november 2010

MARTIN RECORDS

In December 1949 werd platenmaatschappij Martin Records opgericht door de toenmalige straatzanger Martin Rozewater uit het Groningse Adorp. Ondanks zijn grote populariteit, met name in het noorden des lands, werd hij vaak kenschetsend "Lulletje" genoemd.
De firma MR scoorde meteen met de Nederlandstalige LP “Groeten uit Adorp” van Het Noorder- Bar Trio en de Blues-LP “Blouse blues” van de gelijknamige Groningse bluesband. In 1967 behaalde Martin Rozewater aan het Amsterdamse Conservatorium zijn B-akte voor hoofdvak klassiek gitaar en samen met zijn vrouw Angie bouwde hij Martin Records op tot een klein, maar zeer gedreven platenbedrijf, waar ook hitlijstmatig rekening mee werd gehouden.
Vooral in Nederlandstalig scoorde de firma ontelbare hits met klinkende namen als Jantje Sukkelmans, Het Borker Trio, Han Wellerdieck, Set-Up, Het Apollo Trio, The Sunshines, Peter Silver, Anneke Drent, The Arizona`s en vele, vele anderen.

Maar vooral Arie en de Bodywarmers hebben flink aan de weg getimmerd. Een zeer legendarische groep muzikale vagebonden. Waarschijnlijk al in 1932 actief maar het hoogtepunt ligt toch wel in de periode 1946 - 1963 (circa). Stichter en leider van de band is Arie Lautenbach. Maar het artistieke brein achter de groep is toch Martin Schuurman. Hij was het die de groep ontdekte en op Martin Records uitbracht. Het duo Schuurman-Lautenbach is verantwoordelijk voor de teksten die een bijzondere diepzinnigheid uitstralen. Arie and the Bodywarmers wordt in de muziekgeschiedenis beschouwd als de 'missing link' tussen de jazz en de eerste popmuziek.
In 1978 besloten Martin en Angie Rozewater een platenserie met humor in dialect te gaan produceren en wie had toen kunnen denken, dat deze serie zou uitgroeien tot een van de meest succesvolle platenserie`s ooit geproduceerd. Meer dan 650 succesvolle LP`s en CD`s verschenen er in deze “Plat” serie en alhoewel vaak geïmiteerd: nooit heeft ook maar iemand het ijzersterke concept voor deze platenreeks kunnen evenaren.
In 1978 startte de firma ook met haar eigen opname studio`s en sindsdien bleek het mogelijk de producten hun eigen, typische Martin sound mee te geven en kon de firma snel en slagvaardig op de vraag vanuit de markt inspelen. Martin Records Studio`s kan zowel analoog als digitaal produceren op 2, 8, 16 en 24 sporen en naast de grote vaste studio in Bornerbroek beschikt het bedrijf eveneens over een professionele zeer flexibele mobiele studio voor ‘live”-opnamen op locatie.
Ook internationaal staat Martin Records hoog aangeschreven. Niet alleen verschenen er in veel landen Martin Records producties op de markt: in Denemarken is het nog steeds recordhouder met de verkoop van meer dan 700.000 kinder- CD`s in de Deense taal. “Dyrehavsbakken`s Pjerrot fortaeller eventyr” en “Tivoli`s Pjerrot og Harlekin fortaeller om Snullerne” zijn nog steeds verkoopsuccessen.
Maar de tijd gaat voort en ondertussen is de DVD het nieuwe medium en vandaar dat Martin Records dit jaar voorzichtig, maar vol vertrouwen de eerste vier DVD`s op de markt brengt. Met de DVD “Klaas Set Troch”van de Friese conferencier Klaas van der Meer stapte MR de wereld van de DVD binnen en later dit jaar volgen de DVD`s van Twente Plat, Drenthe Plat en Groningen Plat.
De nieuwste hit van ARIE EN DE BODYWARMERS op het MR Label.

GO GRANDMA GO!

Go grandma!!! go, go, go grandma!!!!!!!
you know what they say.
Go, go, go!!!
Grandma you’ll make it someday.
shalalalala
grandma you’re doing fine.
you and your dreams are ahead of your time!!!
go go go go!!!!!

Go, go grandma ranger......
In space!!!!!!

What about grandpa? ? ? ? ?

Chorus:
Go granny, go granny, go go go granny!!!
Yeeeehaaaaaaaaaaaaaahhhh!!!
Yeah that’s right!
I love u grandmama!!!


maandag 15 november 2010

DE VOORUITGANG

De laatste tijd bespeur ik tussen alle politieke zaken ook zo nu en dan alweer wat huiselijker kwesties, welke bespreekbaar zijn op de televisie en waarover we ons onbezorgd tot in lengte van dagen het hoofd kunnen breken: de verdeling van huishoudelijke taken tussen man en vrouw.

Zo zaten er vorige week vier mannen aan tafel, van wie er twee goeddeels het huishouden runnen en twee op dat vlak weinig tot niets doen. Het werd een discussie met veel stereotypen aan beide kanten. Henny Huisman (ja wel!) speelde met overgave de rol van ouderwetse man die zelfs geen eitje kan bakken en ervan overtuigd is dat de vrouw beter geschikt is voor de zorgtaken.
Maar hoe gaan die dingen: hij heeft nu een schoonzoon die wel kookt, afwast en stofzuigt. ‘Een brave borst.’

Veertig jaar geleden schreef Simon Carmiggelt voor Wim Sonneveld een fraaie conference met dezelfde clou.
Leve de vooruitgang!

zondag 14 november 2010



TIMMY

Timmy zegt ‘WAF’
Spontaan klinkt weer zijn geblaf

En probeert daarmee te uiten
'Ik moet naar buiten.’

Dus moet ik gaan,
voordat hij het binnen heeft gedaan.


zaterdag 13 november 2010


DE KIJKER IN DE KIJKER

Het nieuwe schaatsseizoen is weer begonnen en dus ook de televisie-uitzendingen van de diverse wedstrijden.
Het lijkt me overigens heerlijk als er een speciale knop op mijn tv zou zitten, waarmee je de stem van bijvoorbeeld een sportcommentator kunt uitzetten, zodat de geluiden in het stadion wel te horen zijn. Wat zou dat geweldig zijn. De kijker mag een irritante verslaggever de mond snoeren. Bij het schaatsen zou ik dan lyrisch worden als ik het stemgeluid van b.v. Frank Snoeks zou kunnen uitschakelen.

Je hebt dat commentaar namelijk helemaal niet nodig bij schaatswedstrijden. Je hoort het startschot. De namen van de schaatsers komen telkens in beeld en bovendien ook hun tussentijden, rondetijden, eindtijden en klassementen. Zonder commentaar kun je het krassen van de schaatsen horen en de aanmoedigingen van het publiek.

Des te merkwaardiger en irritanter is het dat Frank Snoeks aan één stuk door zijn laptopfeitjes aan ons meent te moeten slijten. Allemaal overbodig geleuter. Hij houdt nooit zijn mond, kletst permanent uit zijn nek, in mallotige halve schrijftaal. Noemt al die tijden en namen op die in beeld verschijnen, alsof hij voor de radio werkt, alsof wij blind zijn.
Sony, Akai of Philips, vindt toch die speciale knop uit! De kijker in de kijker. Eindelijk.

O, wie vindt toch die speciale knop uit, bruikbaar voor elke irritante commentator. Schoonheid en genot zullen ons deel zijn. De winters zullen er een stuk fraaier op worden. Naar schaatsen kijken zal als mediteren zijn. Een witte wereld zonder de vervuiling van een commentator.
Sony, Akai of Philips, ga aan de slag!
En Grundig als het kan.

vrijdag 12 november 2010


TRENDY EN GEZELLIG

Deze ochtend in het centrum van de stad zit een man in een trendy, maar toch gezellig koffiebarretje ‘De Vliegende Hollander’ aan een dubbele espresso te nippen. De koffie is heet en sterk. Het enige dat de serene rust verstoort is de muziek van Marco Borsato, dankzij de repeatfunctie van de cd nu al de hele tijd te horen.
Net als de man wil vertrekken komt er een jonge vrouw op prachtige rode schoenen de zaak binnen, ik schat haar op een jaar of 25. Ze loopt mank omdat de hak van haar linkerschoen is afgebroken; toch doet ze alsof er niets aan de hand is. Ze neemt voorzichtig plaats op een van de mintgroene barkrukken en bestelt iets wat ik niet kan verstaan. De barman lacht. Om haar bestelling? Om haar hak, of om de man, misschien wel om mij?
Terwijl ze wacht op haar drankje schrijft de man iets op in zijn agenda en alsof ze het drukken van zijn pen op het papier heeft gehoord, kijkt ze achterom, in de richting van de man. Deze vermijdt echter oogcontact, maar kan het niet nalaten om te stoppen met schrijven. De muziek stopt ook en alleen het geluid van een zoemende koelkast achterin de zaak is nog te horen.
De vrouw draait zich weer om en de man zucht.
Buiten breekt de zon door als de barman de vrouw haar drankje brengt. Ze neemt een slok en begint mat haar mobieltje te bellen. De barman knipoogt naar de man. Deze knikt zonder te weten waarom, laat wat geld achter op tafel en staat op, groet de barman en loopt de zaak uit. Ik ga ook naar buiten en zuig de frisse lucht met kracht mijn longen in. Het is zo’n typische Groningse dag, hoe zal ik het zeggen, zo trendy en toch gezellig.




MIJNHEER VAN DER POL

Het is even na zevenen in de avond. De afwas is gedaan en het eerste kopje koffie staat dampend op tafel. Een gezellig muziekje staat op en door de open tuindeur is het fluiten van de merel te horen.
Er wordt op de deur van de huiskamer geklopt en een lange magere heer op leeftijd stapt binnen.

"Mijnheer van der Pol loopt een beetje met zijn ziel onder zijn arm en zit om een praatje verlegen. Is het goed als hij bij jullie komt zitten? " vraagt de vrouw die hem naar ons begeleid heeft.
De aanwezige dames zijn niet zo gewend aan herenbezoek en kijken elkaar nerveus aan. Mannen kunnen de boel zo verstoren. De oudste van het stel, een kleine montere vrouw van 92 hakt de knoop door: "Natuurlijk, kom er maar bij hoor" zegt ze innemend, met pret in haar ogen.
Nadat hij zich met een kopje koffie heeft geïnstalleerd heeft mijnheer van der Pol niet veel aanmoediging nodig en steekt van wal: "Sommige dingen zitten tussen de oren. Blijven je hele leven bij. Mijn vader was leraar en had in de hongerwinter niet veel mogelijkheden om aan eten te komen. Wist ik veel, ik was een jochie van een jaar of 10 en ik had honger. Wat wist een kind in die tijd nou van het verschil tussen een meisje en een jongetje? Toch niet meer dan dat het meisje een rokje aan had en de jongen een broek. Bij een vriendje, had ik ontdekt, waren er wel boterhammen, witte.
Elke ochtend ging ik erheen om te ontbijten. Wat zijn moeder nou met die Duitser op de bank in de kamer deed, daar had ik geen idee van, het zei me niets, ik kwam voor de boterhammen.
Pas toen ik getrouwd was en dezelfde bewegingen maakte viel het kwartje en begreep ik wat de moeder had gedaan om te overleven met haar kind. Ik wist het echt niet hoor, toen, ik had alleen maar honger."
De dames zijn op slag onder de indruk en glijden moeiteloos mee terug in die tijd.
"Tja, het was een rare tijd, niets was meer gewoon, bij ons kwamen de Duitsers geregeld zomaar binnen lopen om een slaapplaats op te eisen. Je moest wel. Ik vond het doodeng, had net een kindje en mijn man was er niet." brengt de oude dame in.
Haar buurvrouw heeft intussen een glazige blik in de ogen van het zoeken naar herinneringen: "De oorlog, kwiet er aigeliek niet veul meer van. Honger? Ken 't me niet meer indenken. Dus jij was leroar? Mooi hoor"
"Jij weet helemaal niks, jij was te jong en in Zeeland hadden ze nergens last van, die hebben de oorlog niet meegemaakt zoals wij!" valt de oude dame uit.
Een gedistingeerde vrouw uit Amsterdam vertelt met zachte stem over de Joodse mensen uit haar buurt, die gedeporteerd werden totdat de hele buurt leeg was en alleen zij en haar familie overbleven.
En onverstaanbaar door de tandeloze mond mompelt de slagersdochter dat zij maar niks zegt, want dat is te erg.
Waarop mijnheer van der Pol vol enthousiasme bijvalt met de woorden: "Sommige dingen zitten tussen je oren. Die blijven je hele leven bij". En vertelt vervolgens exact hetzelfde verhaal, waarop de oudste dame op dezelfde wijze bijvalt en vervolgens de Zeeuwse weer diep moet graven in haar herinneringen. Tot ieder weer zijn zegje heeft gedaan en mijnheer van der Pol zelfs voor de derde maal.
Na de vierde keer met zijn allen precies hetzelfde gesprek gevoerd hebbende loopt het intussen tegen tienen en de dames worden moe. Ze willen naar bed en beginnen onrustig naar de klok te kijken, zo laat maken ze het anders nooit.
Besloten wordt dat het een bijzonder gezellige avond is geweest en beloven mijnheer van der Pol dat hij de volgende keer weer langs mag komen.
En net als hij eigenlijk wel voor de vijfde keer wil beginnen hoort hij iets wat hij tot dan nog niet was opgevallen. Die wals heeft hij toch al vaker gehoord deze avond? Hij kijkt eens goed op de display en het blijkt geen CD maar een DVD te zijn, die al minstens een paar uur lang dezelfde introwals laat horen.
Is hij al behoorlijk ingespeeld op zijn demente bewoners of moet hij zich toch alvast maar gaan inschrijven voor een plekje?



CIRCUS 

''Ooh mijn God,'' mompelde vader toen ze het gevonden hadden. ''We zijn de enigen.''
Daar zag het inderdaad naar uit. Het was woensdagmiddag en er was helemaal niemand, behalve een vriendelijke reus in een korte broek die bezig was een laatste paal van de schamele circustent in de grond te slaan. Over tien minuten zou de voorstelling beginnen. ''Kijk mam, geitjes!'' riep het dochtertje. Op een klein veldje naast de enige vrachtwagen van het circus stonden drie geiten, een oude lama en twee dwergvarkens. ''Dit wordt wat,'' zuchtte vader. Moeder vond het sneu. Ze had weliswaar een zwak voor kleine rondtrekkende circusjes, maar er was een grens. Het leek erop dat dit circus over die grens heen was gegleden. Nauwelijks dieren, één vrachtwagen, een oude tent met daarin vijftig gammele houten stoeltjes, een caravan die dienst deed als kleedkamer, snackbar en kassa. ''Zullen we maar weer gaan?'' opperde vader. Moeder knikte. Dat had ze het liefst gedaan, maar de kinderen zouden ze beslist niet mee krijgen. Die waren al helemaal verkocht. Gelukkig kwam uit de richting van het dorp een gezin met drie kinderen hun kant op. Ze zouden niet de enige bezoekers zijn, dat was al heel wat. Met een half uur vertraging ging de kassa open. Achter een klein raampje verscheen een tandeloze, maar nog jonge vrouw die als wisselgeld zoveel mogelijk muntstukken van 1 euro gebruikte, wat later handig van pas kwam omdat alle versnaperingen, vlaggetjes, ballonnen en andere aardigheidjes die tussen de diverse acts werden aangeboden, precies 1 euro kostten. Het was om te huilen. Maar iedereen genoot.
Het circus dreef op de reusachtige man in de korte broek. Hij stond op zijn hoofd, reed rond op fietsen met één wiel, liet de geiten en de lama door de piste draven en voerde een langdurig clownsnummer uit dat vol onbegrijpelijke en vermoedelijk schuine moppen zat. Hij werd terzijde gestaan door de tandeloze jonge vrouw, een jongetje van een jaar of acht en een zesjarig meisje dat al aardig kon lopen op een grote bal. Dat er slechts negen bezoekers in de tent zaten, betekende niet dat er een aangepast programma werd afgewerkt. Integendeel; de familie zette alle zeilen bij. Zo werd zelfs inderhaast een extra pauze ingelast om de kinderen gelegenheid te geven buiten de tent de dieren te aaien, à raison van twintig eurocent per kind, en gezien de warmte even wat te drinken, à tien eurocent per lauw blikje cola, wat de tandeloze vrouw alweer een handjevol munten van tien opleverde.
Toen het eindelijk voorbij was, en de bezoekers ook werkelijk geen puf meer hadden om te applaudisseren, was het buiten al aardedonker. Terwijl de vriendelijke reus alweer in zijn korte broek bezig was de palen van de tent uit de grond te trekken, bij het licht van zijn vrachtwagen, liepen de vader en de moeder met de kinderen naar hun auto. Ze waren alle vier doodmoe.
''Ik voel me volkomen uitgekleed,'' zei vader boos toen hij achter het stuur zat. ''Ik geloof dat we wel tachtig euro hebben uitgegeven.''
''Het is maar één keer vakantie pap!'' riep het dochtertje boos vanaf de achterbank. Dat was een klassieke tekst, bedacht moeder, maar hij was niet waar. Het was om de haverklap vakantie.

donderdag 11 november 2010


STIL IN DE KLAS

Het was stil in de klas.
Diepe rust leek er te heersen,
van buiten af gezien dan.

Wie beter oplette,
zou echter al snel opmerken,
dat er koortsachtig gewerkt werd.

Zenuwachtig werden
de meerkeuze vragen beantwoord.
Soms keek iemand vertwijfeld op,

een enkeling was klaar
en deed iets anders.
Voorzichtig gluurde

mijn buurman
op mijn blaadje,
maar dat lag er al niet meer.

Ik was klaar.
Als een roofdier,
die de zwakkere dieren

van de kudde probeerde te vinden,
zo ging bij tijd en wijle
de blik van de leraar door de klas.

Er werd wat afgezucht,
zo bij een Engelse tekst.
De klok tikte door,

de tijd ging voorbij.
Door de blikken op de klok
door de leraar,

werd duidelijk
dat de tijd
er weer ver op zat.

Weer een lesuur voorbij.
One down…
so many more to go…

woensdag 10 november 2010

ODE AAN DE ROCK & ROLL EN JERRY LEE LEWIS IN HET BYZONDER 
 
Ik zal eens iets vertellen. Ik ben van kuitbeen af bezeten geweest van rock ’n roll. Thuis hadden wij niets, behalve een koffergrammofoon, waarop mijn moeder Vera Lynn en Bing Crosby draaide, en Mantovani, toen nog op 78-toerenplaten van ijzerbedraad beton en met een eeuwig slijpend geruis dat een merkwaardige sfeer aan die muziek gaf, en van meet af aan een weemoed omdat het voorbij zou gaan, en dat deed het ook toen ik op een dag triomfantelijk thuiskwam met zo’n klein elpeetje van Fats Domino, waarvoor ik mijn spaarpot geleegd had, maar dat gaf niet, want erop stonden ‘I’m walking’ ( dat ik nu nog soms in mijn dromen hardop meefluit ), ‘I’m in the mood for love’ en "So long’ .
Het knerpte en kraakte door die armoedige pick-up van ons, maar het greep me en toen ik, uitgerekend diezelfde dag, naar de kermis mocht en daar diezelfde nummers keihard en in volle glorie door de reusachtige boxen van de autoscooters hoorde jagen, viel ik zo van mijn apropos en zou voor het leven getekend zijn.
De kermis, ja, daar kon je in die tijd genieten van rock ’n roll. Alleen daar, veel meer nog dan op de gammele juke-boxen met in hoofdzaak Paul Anka en Cliff Richard erop, kon je de groeiende rock in al zijn schoonheid horen. ‘Peggy Sue’ en ‘Oh Boy’ zijn daar voorgoed in mij gegrift en ‘Sea of Love’ en ‘Heartbreak Hotel’ , en ook een nummer dat mij in galop naar zich toezoog telkens als ik de eerste intrigerende pianoslagen ervan hoorde: ‘Let’s talk about us’ van Jerry Lee Lewis, naar ik later vernam. Een prachtige plaat, en dat is ze nu, zoveel jaren later, nog altijd.
Sindsdien heeft Jerry Lee Lewis mij ook ‘Crazy Arms’ geschonken, en ‘Great balls of fire’ , ‘Whole lotta shakin’ going on’, ‘Little Queenie’, ‘Mean Woman blues’, Highschool confidential’, ‘Good Golly Miss Molly’, enz. enz. Dus geen kwaad woord over The Killer!
Behalve als het van mezelf komt natuurlijk, met betrekking tot de sliert slordig ineengeknutselde elpees die hij de laatste jaren vrij plichtmatig afscheidde, in een walm van drank en wellicht met de kramp van de oude veteraan die wil overleven tussen de andere overlevers. Maar Elvis is inmiddels dood, Little Richard een karikatuur van zichzelf geworden, Chuck Berry een smet op zijn eigen legende, maar Jerry Lee Lewis staat er nog, zo lillend en levend als ooit tevoren, nu al 70 jaar!
JERRY LEE....'LET THE GOOD TIMES ROLL' !!!

woensdag 3 november 2010


BEER EN GOLF
V
rijdagmiddag rond de klok van vijf. Mensen buiten zijn in een opperbest humeur; het weekend is begonnen. Na een week hard werken, studeren of wat dan ook is er eindelijk rust.
Op zo’n moment hangt er een opvallend ontspannen sfeer op straat. De mensen vinden het heerlijk, die vrijdag.
Voor mij maakt het niet uit. Voor mij is de vrijdagmiddag een dag als elke andere. Het enige verschil is dat het wat drukker is op zo’n moment. Ik bevind mij in café ‘De Drie Uiltjes’ in de Oude Ebbingestraat.
Vermoeid en geïrriteerd steek ik nog maar een keer een zwak vingertje op, om aan te geven dat er bijgevuld mag worden. Onbegrijpelijk dat ik dat elke weer moet aangeven. Maar wat wil je ook met zo’n jong, puisterig ventje achter de bar. Zo’n jongen die nog helemaal niets van het gehele gebeuren begrijpt.
Na enkele seconden die wel uren lijken te duren zet het ventje het glas, bijgevuld en wel, met een overdreven, ongemeende glimlach voor me neer. Blijkbaar trots op zichzelf dat hij het klusje zo snel heeft geklaard. Zonder hem ook maar een blik waardig te gunnen, pak ik het glas en neem ik een flinke slok. Terwijl achter me het ventje teleurgesteld afdruipt, kijk ik de zaak eens goed rond.
Aan de overkant van de bar zit Beer. Die naam heeft hij te danken aan zijn achternaam, hij is namelijk alles behalve een beer. Wat een scharminkel. Zelf vindt hij het blijkbaar een fantastische naam. ‘Doe nog eens een beer voor de Beer,’ is ongeveer zijn levensmotto geworden. Onmiddellijk gevolgd door een onsmakelijk, bulderend gelach waarbij het vorige beertje bijna weer naar buiten komt.
Ik hoor de barmannen weleens over hem praten: ‘die Beer houdt het niet lang meer vol, zijn lever moet groter zijn dan een voetbal.’ Beer was inderdaad niet meer helemaal goed. Terwijl mensen zich kapot kunnen zweten, zichzelf vervloeken dat ze niet nog meer kleren kunnen uittrekken, dan kan Beer gemakkelijk bibberend op zijn barkruk zitten, hij vraagt nog net niet om een sjaal. Nee, Beer is niet helemaal gezond.
In het midden zit Golf. Ook al zo’n droevig figuur. Wat z’n echte naam is weet niemand, ik betwijfel eigenlijk of hij het zelf nog weet. Hij heeft het nu eenmaal altijd over golf, elk gespreksonderwerp wordt weer terug gerelateerd naar golf. Om gek van te worden, die vent.
Een baan heeft Golf niet. ‘Af en toe een klusje voor iemand, niks meer en niks minder. Het ideale leven’ is Golfs reactie. Volgens eigen zeggen is z’n pa stinkend rijk en gaat hij daar een godsvermogen van erven. Ik moet het nog maar zien.
Ik geef het mannetje achter de bar een knik, in de hoop dat hij deze keer de boodschap wel begrijpt en sta op om maar eens naar de wc te gaan. Als ik terugkom ben ik verbijsterd. Dat m’n glas nog steeds leeg is, is tot daar aan toe. Eigenlijk had ik het al niet eens meer verwacht. Maar dat er een jonge vent met zijn meisje op mijn plaats zijn gaan zitten is onaanvaardbaar. Ik loop er heen in de wetenschap dat dit voldoende voor het stelletje moet zijn.
Als er echter niet gereageerd wordt, kijk ik het jochie achter de bar vragend aan. Uiteraard begrijpt hij er niks van. Ik besluit dan ook om zelf actie te ondernemen en tik de jongeman op zijn schouder. ‘Je zit op mijn plaats,’ zeg ik korzelig. Beer en Golf gaan er eens goed voor zitten, zij voelen de bui al aankomen. ‘Hoe bedoel je jouw plaats?’ reageert de jongeman die zich inmiddels heeft omgedraaid. Als ik hem onbegrijpend aanstaar herhaalt hij zijn vraag: ‘Hoe bedoel je jouw plaats?’ om er vervolgens nog een schepje bovenop te doen: ‘Er is plaats zat, man. Overal lege krukken. Waar heb je het over?’ Nu gaat hij echt te ver. Dat hij de ongeschreven regel van de vaste klant niet kent is tot daar aan toe, maar dat hij er nu ook nog eens uitdagend voor gaat zitten, een beetje proberen te patsen voor z’n wijfie, dat is echt te gek voor woorden. ‘Ik zeg het nog één keer,’ begin ik op mijn meest ongeduldige toon. Het barventje, dat eindelijk de situatie doorheeft, probeert er tussen in te komen: ‘Rustig nou maar, er is plaats genoeg voor iedereen,’ hiermee onbedoeld de situatie alleen maar erger makend. ‘Ik zeg het nog één keer, dit is mijn plaats. Neem je grietje en ga lekker aan een tafeltje zitten. Lekker thee drinken.’ Blijkbaar is de maat voor hem nu ook vol, aangezien hij opstaat en zich in volle lengte opricht. Ongeveer even groot, even breed, dat kan nog leuk worden. Het meisje wil er nog wat van zeggen, maar het heeft al geen zin meer. Deze jongen wil zich nu bewijzen ook. ‘Geef me eens één goede reden waarom ik voor je zou weggaan,’ begint hij op dreigende toon. Ik merk dat het barventje nu echt zenuwachtig begint te worden. Ruzie in de tent, en dat op zijn eerste dag. ‘Rustig nou maar,’ probeert hij nog maar eens. Hij wordt compleet genegeerd. ‘Wil je graag de straattegels van dichtbij bekijken,’ zeg ik terwijl ik me nu ook in volle lengte opricht. Het gaat allang niet meer over de kruk. Het is nu een kwestie van eergevoel geworden. Deze clown wil niet afgaan voor z’n liefje en ik zit hier nu al vijf jaar, zes dagen in de week, op dezelfde kruk. ‘Make my day,’ zegt het figuur tegenover me uitdagend, hopend dat het er net zo stoer uitkomt als bij Clint Eastwood. Hij faalt jammerlijk. Ik heb geen zin om deze amusante conversatie voort te zetten en besluit tot actie over te gaan. Ik wil de knuppel bij zijn gloednieuwe jasje pakken, maar hij is me voor. Ik zag de vuist amper aankomen. Uit een reflex sluit ik mijn ogen, wachtend op de klap. Die komt er niet. Als ik mijn ogen weer open blijkt dat het bange barventje uit een soort moed der wanhoop maar tussen ons in is gesprongen. Slechte timing.
Op dat moment komt Hans binnen, de vaste barman. Hans heeft minder dan een tel nodig om te ontdekken hoe de vork in de steel zit. Met twee stappen staat hij bij het slagveld en neemt hij de regie over. Hans werkt al jaren hier, al voordat ik hier kwam en kan als geen ander dit soort akkefietjes oplossen. Hij straalt gewoon een bepaald gezag uit. Hij is de baas.
En inderdaad, na een minuutje te hebben gesproken met het stelletje besluiten deze om maar een andere kroeg op te zoeken. ‘Hoe gaat het met jou, Joost?’ vraagt Hans op een vaderlijke toon aan het barventje die blijkbaar Joost heet. ‘Ga maar lekker naar huis, ik neem het wel over.’ Dat lijkt Joost ook het beste idee en hij loopt naar achteren om z’n spullen te pakken.
’Ha die Beer, zal ik maar eens een lekker beertje voor jou inschenken?’ gaat Hans onvermoeibaar verder. Beer, teleurgesteld dat het schouwspel alweer is afgelopen, gaat weer in z’n normale posities zitten, blijkbaar toch ook blij dat Hans er weer is. ‘En hoe zit het onderhand met jou handicap, Golf?’ gaat Hans slim verder om het gebral van Beer te vermijden. Ik sta er eigenlijk een beetje beduusd bij. Nog geen twee minuten geleden leek het hier wel een ouderwetse saloon en nu is het weer een toonbeeld van rust en vrede. Apart.
Ik schrik op uit mijn dagdromen als Hans een gevuld biertje voor me neerzet en me glimlachend aankijkt. ‘Ik zag dat je glas leeg was.’ En zonder verder over het hele voorval na te denken ga ik weer op m’n vertrouwde kruk zitten. Er is weer rust in de tent. Eindelijk.


zondag 31 oktober 2010


BIKKEL

Een al wat oude man en zijn hond, een terriër, komen hun woning uit voor een laatste wandeling deze dag. Hij draagt een lange ouderwetse groene overjas en een donkerbruine sjaal. Tussen de sjaal is een rode neus zichtbaar. Rook glijdt langs de wangen, het is koud.
De man stopt even op de hoek van de straat, de hond tilt zijn poot op om een paal te voorzien van diens aanwezigheid. Een taxi komt de hoek om en stopt, de man en zijn hond kijken nieuwsgierig op. Een jonge vrouw stapt uit. Ze kan zeventien zijn, maar ook vijfentwintig. Ze draagt een bruine suède jas en heeft een handtas, die ze stevig tegen zich aandrukt. Ze wisselt wat beleefdheden uit met de al wat oude man, aait zijn hond, terwijl de taxi langzaam weg rijdt en een spoor van rook achterlaat. Ze knikt nog even naar de man, geeft de hond nog een krabbel op zijn kop en loopt verder. De man en zijn metgezel kijken nog even vol interesse de vrouw na en lopen vervolgens het café om de hoek in. Het is er rustig. De barman staat een bierglas te poetsen. Het bierglas blinkt alsof de barman al de hele avond met één en hetzelfde glas bezig is. Op de achtergrond is zachtjes muziek te horen. Het geluid van Louis Armstrong en zijn kornuiten vult het café.
Behalve de barman is er maar één klant, die voorovergebogen aan de bar zit.
Het is Bikkel; bleek gezicht, diepe wallen onder de ogen, zwart ietwat lang haar, niet gekamd, de boord van zijn witte overhemd groezelig.
De barman staat te praten tegen hem, maar er komt geen reactie. Licht geïrriteerd zet de barman het glas weg en buigt voorover.
‘Ben je ze aan het tellen?’, vraagt de barman.
Bikkel schrikt op en slaat het bakje pinda’s per ongeluk over de bar.
‘Oh, sorry’, stamelt hij.
‘Geeft niks, ze waren toch al oud. Je bent nu toch niet de tel kwijt?’
Na geruime tijd Bikkel geobserveerd te hebben ontwaard de barman eindelijk een glimlach op zijn gezicht.
‘Het waren er zesentwintig.’
‘Wat zeg je?’, vraagt de barman.
‘Zesentwintig.’
‘Nou daar heb je wel lang over gedaan.’
‘Nee, ik bedoel jaren. Vandaag zijn het zesentwintig jaren voor mij.’
‘Nou van harte dan, kom we maken er een feestje van.’
En de barman zet een nieuw drankje voor Bikkel neer.
‘Deze is van het huis. Nog vele jaren.’
Bikkel slaat zijn oude drankje achterover en houdt de nieuwe even omhoog en knikt naar de barman.
‘Laat dat vele jaren maar zitten, ik vind het wel weer welletjes zo.’
‘Nou dat klinkt wel erg deprimerend, hoezo dan?’
Voordat Bikkel antwoord, gaat hij onder begeleiding van een diepe teug adem rechtop zitten.
‘Zesentwintig jaar lang heb ik liefde gekregen, van ouders, vrienden, kennissen. Zelfs volstrekt onbekenden hebben mij het idee gegeven dat ik gewenst was op deze wereld.
Zesentwintig jaar!
Al die tijd heb ik tevergeefs geprobeerd liefde te geven.
Ik heb een uitputtingsslag geleverd, om maar iemand in deze wereld hetzelfde te geven wat ik al die jaren onvoorwaardelijk heb mogen ontvangen.’
Bikkel neemt even een slok van zijn drankje en veegt met het bierviltje over de bar.
De cafédeur gaat open.
De barman staart naar de persoon die binnen komt wandelen en zich een weg baant tussen alle tafels en stoelen door.
Het is de jonge vrouw van de taxi, die zich heupwiegend door het café manoeuvreert.
Ze heeft inmiddels haar bruine suède jas over haar arm geslagen. En dit openbaart een wit satijnen blouse met lichtblauwe streepjes. Met daaronder een strakke grijze dames pantalon die geen enkel van haar buitengewoon perfecte contouren ongemoeid laat. Dieprood golvend haar maakt het palet compleet. De handtas drukt ze nog steeds stevig tegen zich aan.
Bikkel lijkt niet geïnteresseerd in haar, en heeft zich weer op een nieuw bakje pinda’s gestort. In tegenstelling tot de barman die geobsedeerd naar haar kijkt, als ze naast Bikkel gaat zitten.
‘Goedenavond, een droge witte wijn alstublieft’, zegt ze met een vermoeide stem.
De barman draait zich, om de wijn in te schenken en de vrouw staart nietszeggend naar Bikkel die nog steeds voorover gebogen zit.
‘Pinda’s aan het tellen?’, vraagt de vrouw.
Bikkel lijkt het niet gehoord te hebben en geeft geen kik.
De barman, die het op de voet gevolgd heeft, zet het glas wijn voor de dame neer.
‘Het zijn er zesentwintig’, zegt de barman tegen de dame.
De vrouw kijkt de barman vertwijfelt aan en begint te lachen.
‘Zo, dus jullie vullen je tijd met pinda’s tellen?’
‘Nee niet pinda’s. Hij is vandaag zesentwintig jaar geworden.’
‘Ach zo’, zegt de vrouw.
‘Nee, dat is duidelijk. Dus jullie zijn nu een feestje aan het vieren.’
De barman lijkt op het punt iets te willen zeggen, maar Bikkel richt zich op en kijkt de vrouw aan.
‘Heb jij wel eens iemand lief gehad?’
Schijnbaar is deze vraag voor de vrouw nog verbazingwekkender dan het zien van iemand die pinda’s aan het tellen is. Ze verslikt zich in haar wijn.
‘Ik vroeg of je wel een iemand lief hebt gehad?’ reageert Bikkel nogmaals op rustige toon.
De vrouw lijkt geïrriteerd door Bikkel zijn glimlach en draait haar hoofd naar de bar. Tegelijkertijd zet de barman een bakje pinda’s voor haar neus. Ze lijkt het niet door te hebben en begint te praten.
‘Ik heb al teveel lief gehad, de laatste die van mij liefde heeft gekregen is er mee vandoor.’
‘Ach, wat prachtig, zoveel melancholie, luddevudde, aan mijn bar!’, grapt de barman terwijl hij met beide handen naar zijn hart grijpt.
Zowel Bikkel als de dame is niet geïnteresseerd in de grapjes van de barman. De dame staart nog steeds naar haar pinda’s en Bikkel naar haar. De barman gaat plots brutaal tussen het tweetal in leunen en kijkt Bikkel in zijn gezicht aan. Dan weer naar de dame. En begint ineens breed te lachen.
‘Jullie zijn ...’ Maar de barman kan zijn zin niet afmaken.
‘Zevenentwintig’, zegt de vrouw ineens.
De barman doet een pas naar achteren en vouwt zijn armen over elkaar heen terwijl hij nonchalant tegen het aanrecht leunt.
‘Ben jij zevenentwintig?’ vraagt Bikkel.
‘Nee niet dat. Zevenentwintig pinda’s’, zegt ze.
En de dame kijkt Bikkel aan, haalt een pinda uit haar bakje, gooit deze in het bakje pinda’s voor Bikkel en steekt haar hand naar hem uit.
‘Dag ik ben Elise, nog gefeliciteerd met je verjaardag.’
Bikkel lacht even naar de barman, kijkt naar het bakje pinda’s voor hem. En weer naar Elise.
En in plaats van haar hand te beantwoorden, pakt hij het bakje pinda’s en gooit deze leeg in haar bakje. Hij slaat zijn drankje achterover, staat op en doet zijn jas dicht.
‘Die pinda’s zijn oud.’ En loopt de deur uit. Het is donker op straat, althans, de zon is onder.
De lantarenpaal voor de deur is stuk en er is maar één licht dat doorschemert naar buiten, dat van de kroeg.
De straat is in diepe slaap, zich aan het opmaken voor de sleur van morgen.

vrijdag 29 oktober 2010



ZEE

Neem even rust,
even ergens heen,
naar de kust,
helemaal alleen.

Even rust.

Niemand om je heen,
niemand die je wat doet,
omdat je hier alleen staat,
dat voelt goed.

De zee neemt je mee,
in gedachten verzonken,
steeds dieper in de zee,
je bent verdronken

In eenzaamheid.



EEN STUKJE FILOSOFEREN

In een groot
groot bos
leefde er ooit eens
een arme houthakker

Een arme houthakker in een groot...groot bos ?
Hm!   
Hoe kan een houthakker nu
arm zijn als hij in een groot...groot bos woont !?

Een loodgieter, ja....die kan arm zijn
als hij in een groot...groot bos woont
Maar een houthakker
tussen al die bomen.

Ergens in Amsterdam
of op de Noordpool
daar zie ik wel een arme wonen
maar in een bos?   

In een groot....groot bos leefde er ooit eens
een luie...luie houthakker !   


CONCERTO IN ZEE

De zee zingt samen met de golven
zoals een zanger zingt bij zijn orkest.

Zonnestralen zorgen voor de belichting
meeuwen functioneren als een vrolijk koor

Op de cadans van de zingende golven
drijf ik voort en zing zachtjes met ze mee.

donderdag 28 oktober 2010

STADJERS



FUCK THAT MORNING BLUES

De radiowekker ontwaakt.
Na enig peinzen weet ik waar ik ben.
Strompelend naar het toilet.
De bril is vreselijk koud.


Krab armen, hoofd en rug.
Gluur naar buiten, kloteweer.
Blote voeten op het koude zeil.
Een grimas in de spiegel.


De douche spuugt water op me neer.
Eerst haren wassen, vaste patronen.
Op zoek naar wat kleren.
Doelloos loop ik in het rond.


Verzamel sleutel, bril en geld.
Opschieten, ben al laat.
De stad ligt op me te wachten.
Een nieuwe dag is begonnen.